Het klavecimbel

Alhoewel er onder klavecinisten (zo worden bespelers van het klavecimbel genoemd) discussie bestaat over de juiste spelling van de naam van het instrument – sommigen houden vast aan de spelling met twee c’s “clavecimbel”, of zelfs ook nog met een y “clavecymbel” – houd ik het op de spelling volgens het groene boekje: het klavecimbel.

Discussie is klavecinisten niet vreemd en dat heeft een reden. Componisten waren namelijk – zeker in ensemblemuziek – niet zo expliciet over wat er op welk moment in het muziekstuk gespeeld moest worden op het klavecimbel. Alle instrumenten vragen om interpretatie van de muziek, maar op een klavecimbel geldt dat nog veel meer. En dat leidt tot voer voor analyse en de bijbehorende discussie. Juist die combinatie van denken, luisteren en doen, maakt het spelen van klavecimbel zo boeiend.

Is die discussie daarmee alleen interessant voor de klavecinisten zelf? Integendeel! Hoe beter de speler heeft nagedacht over wat hij of zij wil laten horen, des te makkelijker wordt het voor de luisteraar om klavecimbelmuziek te begrijpen. Het werkt eigenlijk als een stippentekening waarbij puntjes verbonden moeten worden. In eerste instantie is het een wolk puntjes, zodra de stippen verbonden zijn ontstaat een herkenbare afbeelding.

Basso continuo

Het klavecimbel heeft in ensemblemuziek heel vaak een begeleidende rol. Met de linkerhand wordt dan de voorgeschreven baspartij gespeeld. Die is meestal hetzelfde als de partij van de andere basinstrumenten als de cello, viola da gamba, violone, fagot en de bas van de theorbe. Met de rechterhand wordt tegelijk een improvisatie gespeeld. Dat wordt basso continuo genoemd.

Alhoewel de muziek voor de rechterhand niet is voorgeschreven bevat de muziek wel allerhande hints om tot een passende improvisatie te komen, zoals:

·         muziek die klinkt in de andere instrumenten;

·         becijferde bas (cijfernotatie onder de baslijn, die de harmonie aangeeft die de componist wil laten horen);

·         stijlkenmerken (afhankelijk van de componist, de periode waarin een stuk is gecomponeerd of het land waar het stuk is gecomponeerd, zijn alleen bepaalde akkoorden toegestaan of sommige akkoordopvolgingen juist verplicht);

·         de sfeer van het stuk (een dans vraagt om een meer ritmische begeleiding dan een stuk in een dromerige sfeer);

en bij vocale muziek:

·         de tekst (vanaf ongeveer 1600 lieten componisten steeds vaker de muziek ondersteunend zijn aan de tekst).

Het invullen van basso continuo op basis van dit soort hints is daarom als het oplossen van een puzzel, maar dan wel een prijspuzzel, want een goede oplossing leidt tot mooie muziek.

Moderne muziekuitgevers willen graag bladmuziek verkopen aan zowel klavecinisten die basso continuo kunnen spelen, als aan spelers die dat niet kunnen. Daarom zorgen ze dat er passende muziek wordt opgeschreven voor de rechterhand, zodat het stuk door iedereen gespeeld kan worden. In moderne uitgaves van barokmuziek is de rechterhand van het klavecimbel dus niet van de hand van de componist, maar van de uitgever en het staat de speler vrij die te vervangen door een andere passende improvisatie.

In muziek voor solo klavecimbel, of in ensemblemuziek waarin het klavecimbel een solistische rol heeft (dat laatste wordt dan “obligaat klavecimbel” genoemd) staat wel voorgeschreven wat er met de rechterhand gespeeld moet worden en is de rechterhand wel door de componist zelf bedacht.

Hoe lang zijn er al klavecimbels?

De eerste klavecimbels zijn gebouwd in de tweede helft van de 14e eeuw, waarschijnlijk in Italië. Men kende toen al toetsinstrumenten, want men was vertrouwd met orgels, maar een toetsinstrument met snaren was nieuw.

Waar het orgel een instrument was voor in een kerk of klooster, was het klavecimbel meer een instrument voor de rijken en de adel die het in hun huis of aan het hof lieten bespelen, of er zelf op leerden spelen. Dat is ook een belangrijke reden waarom het klavecimbel vaak gebruikt wordt in niet-religieuze muziek: als solo-instrument, voor kamermuziek, theatermuziek en opera.

Langzaam maakte het klavecimbel een opmars en het verspreidde zich over Europa. In elke regio werden andere ontwerpen gebruikt. Daardoor ontstonden verschillende soorten klavecimbels die nog steeds met het land van herkomst worden aangeduid. We hebben het dus ook nu nog steeds over Italiaanse, Duitse, Franse, Engelse of Vlaamse klavecimbels.

Rond 1600 was de familie Ruckers in Antwerpen een van de meest succesvolle bouwers van klavecimbels. Hun instrumenten stonden erg goed aangeschreven en veel bouwers pasten technieken toe die oorspronkelijk door Ruckers waren bedacht. Alhoewel de Ruckers-instrumenten ook in Frankrijk erg werden gewaardeerd, waren in de Franse muziek meer toetsen en snaren nodig dan in de Vlaamse instrumenten werden toegepast. Franse bouwers als Couchet en Taskin gebruikten soms zelfs de instrumenten van Ruckers als basis. Ze maakten de toetsen smaller en plaatsten extra snaren, om zo een instrument te maken met de klankeigenschappen en de degelijkheid van een Ruckers, en een omvang zoals die in Frankrijk was vereist. Dit heet in het Frans een “clavecin à grand ravalement”, letterlijk vertaald een “flink verbouwd klavecimbel”.

Rond 1800 werd het instrument snel minder populair. Er werden nieuwe toetseninstrumenten ontwikkeld waarop meer klank te maken is en waarop de speler zowel hard als zacht kan spelen: eerst de fortepiano, later de moderne piano. Omstreeks 1900 ontwikkelde zich de serieproductie. Een aantal fabrikanten ging ook fabrieksmatig klavecimbels bouwen. Alhoewel ze wel werkten als een klavecimbel, leken ze qua constructie meer op een moderne piano. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw probeert men weer de oorspronkelijke klank en interpretatie te laten horen. Sindsdien is er ook weer veel belangstelling voor handgebouwde klavecimbels.

Hoe werkt een klavecimbel?

Als je naar een klavecimbel kijkt zie je een rijk versierd houten instrument met een of twee klavieren en veel snaren die gespannen zijn over een zangbodem. Die versiering bestaat meestal uit een beschildering vaak gecombineerd met bladgoud en behang (vooral het “dolfijnenbehang” werd veel gebruikt, een voorbeeld daarvan is hier te zien: http://www.claviantica.com/Ruckers_papers_files/Ruckers_paper_O'Brien_type_3_thmb.gif).

Het mechaniek van een klavecimbel begint bij de toetsen en loopt nog een stuk door in het inwendige van het instrument. Op het eind van iedere toets (dus binnenin het instrument) staat een houten staafje. Dat wordt een dok genoemd. Als je de toets indrukt gaat de dok omhoog en als je de toets loslaat zakt deze weer naar beneden. Bovenaan de zijkant van de dok zit een pennetje dat een kiel wordt genoemd. Oorspronkelijk werden kieltjes gemaakt van pennen van vogelveren of van leer. Tegenwoordig wordt heel vaak kunststof gebruikt.

Als de dok omhoog beweegt tokkelt de kiel de snaar en als de dok weer naar beneden zakt glijdt de kiel langs de snaar terug, net voordat de dok met een stukje vilt op de snaar landt en zo de snaar dempt. In dit filmpje zie je mooi hoe het tokkelen van de snaar werkt: https://youtu.be/KNMsUcwEdGM. In dit filmpje is de dok trouwens niet van hout, maar van plastic gemaakt.

De volgende termen worden gebruikt:

Jack: dok

Plectrum: kiel

Damper: demper

Sfeerbepalend

Waar ik het nog niet over gehad heb is dat klavecimbels anders gestemd zijn dan piano’s en ook voor verschillende stijlen en toonsoorten anders gestemd worden. Iedere toets van een klavecimbel heeft één of meer snaren en al die snaren moeten stuk voor stuk gestemd worden. Alle instrumenten van het ensemble passen vervolgens hun stemming aan op de stemming van het klavecimbel. De keuze voor een stemming van het klavecimbel beïnvloedt dus ook de klank van het ensemble als geheel.

Wil je meer weten over dit mooie instrument? Zoek me dan gerust een keer op na een concert!

 

David Jorritsma