Cello

De barokcello is een violoncello die tussen 1550 en 1770 gangbaar was. De cello wordt tussen de benen op de juiste plek gehouden, wat in die tijd ertoe leidde dat de cello alleen door mannen bespeeld mocht worden omdat deze pose voor vrouwen onzedelijk was. De “violoncello da Spalla”, een schoudercello, kon dan wel weer ook door vrouwen worden bespeeld.

De barokcello heeft darmsnaren. Het nadeel van deze snaren (zoals heel gevoelig voor weersinvloeden en dus vaak stemmen) wordt ruimschoots goedgemaakt door de enorme dynamiek en mooiere klank die uit deze snaren gehaald kunnen worden.

Ook kent de barokcello geen pin waar de cello op kan rust tijdens het spelen. Deze pin wordt pas in de Romantiek gebruikelijk, en dient om de cellist meer bewegingsvrijheid te geven voor het spelen in hogere registers (hoog op de snaar).

Minder zichtbaar, maar wel een wezenlijk verschil met de moderne cello, is de hoek die de toets (de zwarte balk onder de snaren) van de barokcello maakt ten opzichte van de kast. Bij de barokcello is deze hoek kleiner en is de kam lager. Ook is de toets minder lang, dus er kan niet zo hoog op gespeeld worden als op een moderne cello.

De barokcello kent natuurlijk een bijbehorende strijkstok. Deze strijkstok heeft een “bolle” boog die zorgt voor een heel andere spanning op de paardenharen: dichtbij de slof kan er veel geluid worden gemaakt, aan de (spitse) punt nog maar heel weinig. Hierdoor kun je veel meer articuleren en kunnen verschillende klankkleuren uit de cello gehaald worden.

De cello wordt in de vroege barok voornamelijk als begeleidend instrument gebruikt, vaak in basso continuo samen met een luit, klavecimbel of theorbe. Later kwamen de eerste experimenten met meer solostukken.

De barokcello is met de opkomst van het moderne broertje lang in vergetelheid geraakt. In de 50-er jaren van de vorige eeuw is het Oliver Jobs die de barokcello in volle glorie laat terugkomen.

 

Sanne van de Velden