Barokhobo

De barokhobo noem ik ook wel een blokfluit met een rietje erop. Er zitten dan wel twee klepjes op, maar dat is omdat je vingers anders niet bij de onderste gaten kunnen. Ter vergelijking: een moderne hobo heeft 23 kleppen.

De (barok)hobo is een hoog blaasinstrument met een dubbelriet. De twee rietbladen zijn op elkaar gebonden, worden in de mond gehouden en aangeblazen. De meeste barokhobo’s werden gemaakt van buxushout. Het is een C-instrument en het bereik is ruim twee octaven.

 

De familie Hotteterre bouwde de eerste barokhobo, waarna diverse bouwers het instrument verder ontwikkelden. In het eind van 17e en begin van de 18e eeuw maakte de barokhobo een enorme ontwikkeling door en werd erg populair. Voor het eerst kon op een dubbelrietinstrument zowel hard als zacht worden gespeeld en kon door de toonvorming met het instrument affectie en emoties worden uitgedrukt, iets dat op het toen bestaande hoge dubbelrietinstrument -de schalmei- vrijwel onmogelijk was. Imitatie van de menselijke stem was in de barok het klankideaal voor muziekinstrumenten. De barokhobo voldoet daar bij uitstek aan. In diverse composities met zang is de hobo dikwijls de “andere” stem zodat je kunt spreken van een duet met de zanger of zangeres. Voorbeelden hiervan zijn: The Plaint van Purcell, aria’s in opera’s van Steffani, diverse aria’s van Bach.

Voor hobo zijn diverse concerten geschreven, waarvan vele erg virtuoos. In het orkest spelen de hobo’s (en fagot) vaak dezelfde partijen als de strijkers. De kleur van de muziek verandert daardoor: met hobo’s wordt een zilveren lijntje toegevoegd. Mits zuiver gespeeld natuurlijk. Door afwisselend te spelen met alleen strijkers, alleen blazers en strijkers en blazers samen ontstaat variatie in klankleur.

 

 

In barokmuziek worden ook de hobo d’amore, de hobo da caccia en de Franse taille gebruikt. De hobo d’amore is een terts lager gestemd dan de barokhobo in C en heeft een warme klank. De hobo da caccia ziet er bijzonder uit met de kromme vorm en messing beker. Hobo da caccia en taille zijn lagere hobo’s in F en zijn de voorlopers van de moderne althobo; de hobo da caccia werd vooral door Bach gebruikt in zijn composities. Verder in toonhoogte omlaag in de hobofamilie komen we uit op de barokfagot.

Later is de hobo doorontwikkeld door de boring te vernauwen en kleppen toe te voegen. Technisch moeilijkere passages kunnen zo worden gespeeld en het instrument werd luider. De functie van de hobo in een modern orkest is anders dan in een barokorkest. De moderne hobo is luider, scherper en heeft een bijna metaalachtige klank. Ik viel voor de warme en toch heldere houten klank van de barokhobo en ben vanuit blokfluit barokhobo gaan spelen.

Hoboïsten bij elkaar hebben het altijd over rieten. Als hobospeler maak je je eigen rieten en dat is een lastig, intensief en langdurig werk. Het riet is enorm bepalend voor de klankkleur en het speelgemak (of ongemak). In gesprekken wisselen we voortdurend ervaringen uit op zoek naar het ideale riet dat alles kan: mooie klank, zuiver, comfortabel, en dat alles zowel in het hoge als het lage register. We blijven hiernaar zoeken ook al weten we dat dit ideale riet niet bestaat!

 

Rudi Grevink